cover
Ik wist niet wat ik haatte of waar ik bang voor was: het was iets abstracts, een ding.
22-09-2026

Toxisch en tragisch

Mijn oom gaf me een mes op mijn zestiende, voor als je een echte vent wordt; hij had zijn zoon een maand eerder op zijn verjaardag een bezoek aan de Wallen cadeau gegeven, iets wat hij bij mij niet aandurfde, anders had hij de eeuwige vloek van mijn moeder over zich afgeroepen. Mannelijkheid werd in onze familie aangereikt met een eis.

Mijn ooms en vader hadden niets met de overheid: regels en wetten waren voor watjes, maar toen ik voor dienstkeuring werd opgeroepen en ik me verdiepte in allerlei listen om afgekeurd te worden, bleken ze groot voorstander: Eindelijk dat verwijfde kapsel eraf en ze zullen je aanpakken daar, let maar op.

De mannen in mijn leven waren mannen van weinig woorden, er was genoeg waarover gezwegen moest worden, hun gevoel nog het meest. Mijn ooms waren boeven: ze hosselden, ze hielden er naast hun huwelijk meerdere vrouwen op na, ze hadden een problematische omgang met hun kinderen, ze vloekten en tierden, gaven iedereen behalve zichzelf de schuld als het tegenzat – en toch waren deze mannen mijn helden. Ik wilde worden zoals zij. Ze hadden iets wat de vaders van mijn vrienden niet hadden: de blik van een outlaw, ze bevochten een vrijheid die iedereen op die leeftijd ontnomen leek te zijn. Dat die vrijheid met onderdrukking kwam, daar had ik toen geen idee van. Vooral vrouwen en kinderen betaalden – dat wist mijn moeder al te goed.

Mijn moeder kon haar broers corrigeren: niet altijd met woorden maar met een dodelijke blik uit haar donkerbruine ogen, een rake opmerking of – in het uiterste geval – een voorlopig verbod nog langs te komen. Ze wist haar broers te verzachten door het stilzwijgen te breken, waardoor ze wel over de brug moesten komen. Mijn moeder wist wat ik pas veel later begreep: toxische mannelijkheid is niet een teveel aan gevoel of een tekort, maar een verbod erop.

Zwijgen wordt dan vroeg of laat geweld.

Toen mijn moeder jong stierf, zij die de familie met blokjes kaas, Hazes en de nodige gesprekken bijeenhield, kwamen mijn ooms niet meer langs: woorden te krap voor zoveel leed. Mijn vader zette zijn woorden op een dagelijkse dosis sterkwater.

Ik verhuisde van Leiden naar Amsterdam: wilde een nieuw leven leiden, met alles en iedereen breken, met mijn verleden nog het meest. Ik had nauwelijks nog contact met mijn vader. Tot ik een paar jaar terug door een lastige fase ging en op mijn vijftigste heviger dan ooit naar een vader verlangde.

Zwijgend zaten we tegenover elkaar in dat kleine huisje in Leiden, waar de barokke meubels, de sierlatten op de keukenkastjes en de met Versace-kop gezandstraalde badkamerdeur nog precies zo waren als 'toen'. Ik verlangde iets van hem, iets wat mijn moeder zo goed kon: troosten, een bemoedigend woord, iets lekkers te eten maken, een blik waarin mijn verdriet weerspiegeld werd. Nu stond de tv aan; het geluid zo hard dat een gesprek onmogelijk was. Toen ik na een half uur Operation Repo er genoeg van had en aanstalten maakte om weg te gaan, ging de tv uit. Ik vroeg mijn vader hoe het is mijn vader te zijn. Jij altijd met die rare vragen, zei hij: Weet ik dat nou. Ik begrijp jou toch niet. Ik werd verdrietig, niet om wat ik voelde, maar omdat ik hem voelde – zijn onmacht.

Die avond sliep ik bij mijn broer, die niet ver van mijn vader woont. De volgende ochtend ging de telefoon: hoe ik terug naar Amsterdam ging. De trein werd vervangen door een ritje in zijn auto, een dinky toy van Koreaanse makelij, totaal anders dan de Amerikaanse sportauto's waarin mijn vader vroeger reed. In een slakkengangetje over de A4, waar hij voorheen met bravoure de kilometerteller op zijn dashboard op hoogspanning zette.

We zeiden niet veel: het ritje zei alles.

Sindsdien doen we die ritjes over, niet naar Amsterdam maar naar Antwerpen: mijn vader, mijn broer en ik. We doen wat we toen niet konden: praten. Niet zozeer met woorden, het zijn eerder aanzetten, pogingen, en dan neemt het lichaam het over: schuddend, stotterend, het biertje snel wegklokken om wat in de keel blijft steken weg te spoelen. Het is de onmacht zelf die spreekt. Dat we er niet over gesproken hebben, herhaalt mijn vader iedere keer weer als we in de avond op Leiden aangaan, dat was niet goed – dat zijn de enige woorden die er helder uitkomen.

Ze zijn me dierbaar geworden die ritjes: we lunchen op dezelfde plek, we dineren op dezelfde plek, we leggen de route tussen de restaurants via dezelfde straten af, onderbroken met bezoekjes in dezelfde cafés. Het is een ritueel, en dat verloopt via een vast patroon waar niets aan veranderd mag worden, alsof we zo een stuk van het verleden terug kunnen krijgen.

Zwijgende mannen kom ik elke dag tegen – en het geweld ligt voortdurend op de loer. In een stichting die ik met mijn partner oprichtte begeleiden we mannen die net uit detentie komen. We rusten ze uit met tools om jongeren uit de criminaliteit te halen. Maanden gaan we met elkaar aan de slag, ook vrouwen zijn onderdeel van de groep – al zijn mannen sterk oververtegenwoordigd. We zitten in stilte, we maken muziek, we koken met elkaar, we sporten, en intussen wordt er van alles gezegd. Het is als biljarten: de emotie wordt nooit direct benoemd maar bemiddeld door iets anders.

Wat jarenlang en vaak uit overleving onderdrukt wordt, komt er gedurende die maanden langzaam uit. Vrouwen zien voor het eerst een man huilen of kwetsbaar zijn. Mannen kunnen voor het eerst met een vrouw praten zonder er een bedoeling mee te hebben.

De jongeren die ze na de opleiding begeleiden zijn ook eerst zwijgende jongens. Meer dan honderd jongeren per jaar begeleiden we op een plek in Amsterdam Noord die is omgetoverd tot een grote huiskamer: lippen stijf op elkaar, capuchon over hun hoofd. Het zijn geen gewetenloze jongens: ze zijn opgeleid met de vader als straat. En die vader zegt: zwijgen is status, zwijgen is goud.

Toxische mannelijkheid is geen identiteit, het is imitatie. En dus maak ik me zorgen over wat jongeren als voorbeeld krijgen voorgeschoteld, niet alleen op straat en op sociale media, nee, gevaarlijker nog, de mannen in pakken die dagelijks op het nieuws komen, die hun agressie met zwijgen en liegen bedekken. 

Toxische mannelijkheid is ideaalbeeld geworden. 

Het resultaat daarvan zie ik elke dag weer: verharding, woede en agressie. 

Bij ons was er iemand die de imitatie kon onderbreken: één blik van mijn moeder en mijn ooms schoven hun stoel aan. Met een ander voorbeeld, iemand die het woord vlees kan laten worden, kan agressie iets teders worden. 

Ook dat zie ik elke dag.

Deel via: